Menu Close

Gita Jayanti

Gita Jayanti is de gunstige dag waarop Heer Krishna meer dan 5000 jaar geleden de essentie van Vedische kennis aan Arjuna overdroeg en hem onderwees in het uiteindelijke doel van het leven.

Jaarlijks vieren we in de maand december op de dag van Mokshada Ekadasi de Gita Jayanti viering ter herdenking van de dag waarop Heer Krishna de Bhagavad-gita tot Arjuna sprak op de eerste dag van de slag bij Kurukshetra. Bhagavad-gita betekent letterlijk het lied van de Allerhoogste Heer. Het is de meest bekende Vedische literatuur ter wereld.
Zoals vermeld in de Gita-mahatmya, als iemand de instructies van de Bhagavad-gita op de juiste manier opvolgt, kan hij worden bevrijd van alle ellende en angsten in dit leven, en zijn volgende leven zal spiritueel zijn.

gītā-śastram idam puṇyaṁ, yaḥ paṭhet prayataḥ pumān
viṣṇoḥ padam avāpnoti, bhaya-śokādi-varjitaḥ

Iemand die, met een gereguleerde geest, met toewijding deze Bhagavad-gita-tekst reciteert, die de schenker van alle deugd is, zal een heilige verblijfplaats bereiken zoals Vaikuntha, de verblijfplaats van Heer Visnu, die altijd vrij is van de wereldse kwaliteiten die gebaseerd zijn op angst en geklaag. (Gita Mahatmaya vers 1)

Tegenwoordig wordt het woord “jayanti” doorgaans gebruikt voor iemands verjaardag. Dit woord is echter niet bedoeld voor sterfelijke levende wezens. Wat de meeste mensen niet weten over Gita Jayanti is dat toen Heer Krishna de Bhagavad Gita tot Arjuna sprak, het niet de eerste keer was dat Hij het sprak. Gita jayanti is niet de verjaardag van de Bhagavad Gita. Het is de dag waarop de Bhagavad Gita voor het eerst op deze planeet werd gesproken tijdens deze specifieke yuga-cyclus.
Dit wordt duidelijk vermeld in de Bhagavad Gita zelf wanneer Heer Krishna zegt:

śrī-bhagavān uvāca imaṁ vivasvate yogaṁ
proktavān aham avyayam vivasvān manave prāha
manur ikṣvākave ’bravīt

Vertaling: De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Śrī Kṛṣṇa, zei: Ik onderwees deze onvergankelijke wetenschap van yoga aan de zonnegod Vivasvān en Vivasvān onderwees haar aan Manu, de vader van de mensheid, die haar op zijn beurt aan Ikṣvāku onderwees. (BG 4.1)

In het volgende vers zegt Heer Krishna dat de kennis die hij aan koning Ikshvaku meedeelde via parampara, of de opeenvolging van discipelen, geleidelijk aan verloren ging. “Deze allerhoogste wetenschap werd dus ontvangen via de keten van geestelijke opvolging, en de heilige koningen begrepen het op die manier. Maar in de loop van de tijd werd de opeenvolging verbroken, en daardoor lijkt de wetenschap zoals die is verloren te gaan.” (BG 4.2)
Dit laat zien dat de boodschap van de Bhagavad Gita eeuwig aanwezig is en dat Heer Krishna deze in zijn oorspronkelijke vorm geeft wanneer het weer nodig is.


Gītā Mahatmya

uit de Padma Purana

(1) gītā-śastram idam puṇyaṁ, yaḥ paṭhet prayataḥ pumān
viṣṇoḥ padam avāpnoti, bhaya-śokādi-varjitaḥ.

Iemand die met een gereguleerde geest en met toewijding deze Bhagavad-gītā-tekst reciteert, die de schenker van alle deugd is, zal een heilige verblijfplaats bereiken zoals Vaikuntha, de verblijfplaats van Heer Vishnu, die altijd vrij is van de wereldse kwaliteiten die gebaseerd zijn op angst en geklaag.

(2) gītādhyāyana-śilasya, prāṇāyama-parasya ca
naiva santi hi pāpāni, pūrva-janma-kṛtāni ca

Als iemand de Bhagavad-gītā zeer oprecht en met alle ernst leest, dan zullen door de genade van de Heer de reacties op zijn vroegere wandaden niet op hem inwerken.

(3) maline mocanaṁ puṁsāṁ, jala-snānaṁ dineren
sakṛd gītāmṛta-snānaṁ, saṁsāra-mala-nāśanam

Men kan zichzelf dagelijks reinigen door een bad in water te nemen, maar als men zelfs maar één keer een bad neemt in het heilige Ganges-water van de Bhagavad-gītā, is voor hem het vuil van het materiële leven volledig weggevaagd.

(4) gītā su-gītā kartavyā, kim anyaiḥ śastra-vistaraiḥ
yā svayam padmanābhasya, mukha-padmād viniḥsṛtā

Omdat de Bhagavad-gītā wordt gesproken door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, hoeft men geen andere Vedische literatuur te lezen. Je hoeft alleen maar aandachtig en regelmatig de Bhagavad-gītā te horen en te lezen. In de huidige tijd gaan mensen zo op in alledaagse activiteiten dat het voor hen niet mogelijk is om alle Vedische literatuur te lezen. Maar dit is niet nodig. Dit ene boek, de Bhagavad-gītā, is voldoende, omdat het de essentie is van alle Vedische literatuur en vooral omdat het is gesproken door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.

(5) bhāratāmṛta-sarvasvaṁ, viṣṇu-vaktrād viniḥsṛtam
gītā-gaṅgodakam pītvā, punar janma na vidyate

Door de Ganges-wateren van de Gītā te drinken, de goddelijke essentie van de Mahabharat die voortkomt uit de heilige lotusmond van Heer Vishnu, zal men nooit meer in de materiële wereld wedergeboren worden. Met andere woorden, door het devotioneel reciteren van de Gītā wordt de cyclus van geboorte en dood beëindigd.

(6) sarvopaniṣado gāvo, dogdhā gopāla-nandanaḥ
pārtho vatsaḥ su-dhīr bhoktā, dugdhaṁ gītāmṛtam mahat

Alle Upanisads zijn als een koe en de melker van de koe is Heer Shri Krishna, de zoon van Nanda. Arjuna is het kalf, de prachtige nectar van de Gītā is de melk en de gelukkige toegewijden met een fijn theïstisch intellect zijn de drinkers en genieters van die melk.

(7) ekaṁ śastram devakī-putra-gītam
eko devo devakī-putra eva
eko mantra’s tasya nāmāni yāni
karmāpy ekaṁ tasya devasya sevā

Er hoeft maar één heilig geschrift te zijn – de goddelijke Gītā gezongen door Heer Shri Krishna: slechts één aanbiddelijke Heer-Heer Shri Krishna: slechts één mantra – Zijn heilige namen: en slechts één plichtsgetrouwe dienst aan die Allerhoogste Aanbiddelijke Heer, Shri Krishna.


Catur sloki Bhagavad Gita

De oorspronkelijke 4 versen die aan de Zonnegod – Vivasvan – was gegeven door heer Krsna. De esssentie van de Bhagavad Gita in 4 verzen.

Bg. 10.8

ahaṁ sarvasya prabhavo
mattaḥ sarvaṁ pravartate
iti matvā bhajante māṁ
budhā bhāva-samanvitāḥ

aham — Ik; sarvasya — van alles; prabhavaḥ — de oorsprong; mattaḥ — uit Mij; sarvam — alles; pravartate — komt voort; iti — zo; matvā — wetend; bhajante — worden toegewijd; mām — aan Mij; budhāḥ — de geleerden; bhāva-samanvitāḥ — met volle aandacht.

Ik ben de oorsprong van alle spirituele en materiële werelden. Alles komt voort uit Mij. De wijzen die hiervan volkomen doordrongen zijn, bewijzen Me devotionele dienst en vereren Me met heel hun hart.

Bg. 10.9

mac-cittā mad-gata-prāṇā
bodhayantaḥ parasparam
kathayantaś ca māṁ nityaṁ
tuṣyanti ca ramanti ca

mat-cittāḥ — hun gedachten volledig van Mij vervuld; mat-gata-prāṇāḥ — hun leven aan Mij toegewijd; bodhayantaḥ — predikend; parasparam — onder elkaar; kathayantaḥ — pratend; ca — ook; mām — over Mij; nityam — voortdurend; tuṣyanti — raken tevreden; ca — ook; ramanti — ervaren transcendentale vreugde; ca — ook.

De gedachten van Mijn zuivere toegewijden zijn voortdurend van Mij vervuld, hun leven is volledig aan Mijn dienst gewijd en door elkaar te verlichten en voortdurend over Mij te spreken, ervaren ze grote tevredenheid en geluk.

Bg. 10.10

teṣāṁ satata-yuktānāṁ
bhajatāṁ prīti-pūrvakam
dadāmi buddhi-yogaṁ taṁ
yena mām upayānti te

teṣām — aan hen; satata-yuktānām — voortdurend verbonden; bhajatām — in devotionele dienst; prīti-pūrvakam — in liefdevolle extase; dadāmi — Ik geef; buddhi-yogam — werkelijke intelligentie; tam — dat; yena — waardoor; mām — tot Mij; upayānti — komen; te — zij.

Aan hen die Mij voortdurend met liefde en devotie dienen, geef Ik het verstand waarmee ze tot Mij kunnen komen.

Bg. 10.11

teṣām evānukampārtham
aham ajñāna-jaṁ tamaḥ
nāśayāmy ātma-bhāva-stho
jñāna-dīpena bhāsvatā

teṣām — voor hen; eva — zeker; anukampā-artham — om bijzondere genade te tonen; aham — Ik; ajñāna-jam — door onwetendheid; tamaḥ — duisternis; nāśayāmi — verdrijf; ātma-bhāva — in hun hart; sthaḥ — bevindend; jñāna — van kennis; dīpena — met de lamp; bhāsvatā — stralende.

Om hun bijzondere genade te tonen, verdrijf Ik, die aanwezig ben in hun hart, met de stralende lamp van kennis de duisternis die voortkomt uit onwetendheid.


Tri sloki Bhagavad Gita

De essentie van de Bhagavad Gita in drie verzen

Bg. 15.16

dvāv imau puruṣau loke
kṣaraś cākṣara eva ca
kṣaraḥ sarvāṇi bhūtāni
kūṭa-stho ’kṣara ucyate

dvau — twee; imau — deze; puruṣau — levende wezens; loke — in de wereld; kṣaraḥ — veranderlijke; ca — en; akṣaraḥ — onveranderlijke; eva — zeker; ca — en; kṣaraḥ — veranderlijk; sarvāṇi — alle; bhūtāni — levende wezens; kūṭa-sthaḥ — in eenheid; akṣaraḥ — onveranderlijk; ucyate — wordt genoemd.

Er zijn twee categorieën van wezens: de veranderlijke en de onveranderlijke. In de materiële wereld is ieder levend wezen veranderlijk, maar alle levende wezens in de spirituele wereld worden onveranderlijk genoemd.

Bg. 15.17

uttamaḥ puruṣas tv anyaḥ
paramātmety udāhṛtaḥ
yo loka-trayam āviśya
bibharty avyaya īśvaraḥ

uttamaḥ — de beste; purusaḥ — persoonlijkheid; tu — maar; anyaḥ — een andere; parama — de allerhoogste; ātmā — zelf; iti — zo; udāhṛtaḥ — wordt genoemd; yaḥ — wie; loka — van het universum; trayam — de drie onderverdelingen; āviśya — binnengegaan zijnd; bibharti — houdt in stand; avyayaḥ — onvergankelijke; īśvaraḥ — de Heer.

Naast deze twee categorieën is er de grootste levende persoonlijkheid, de Allerhoogste Ziel, de onvergankelijke Heer Zelf, die de drie werelden is binnengegaan en deze in stand houdt.

Bg. 15.18

yasmāt kṣaram atīto ’ham
akṣarād api cottamaḥ
ato ’smi loke vede ca
prathitaḥ puruṣottamaḥ

yasmāt — omdat; kṣaram — aan het veranderlijke; atītaḥ — transcendentaal; aham — Ik ben; akṣarāt — ontstegen aan het onveranderlijke; api — ook; ca — en; uttamaḥ — de beste; ataḥ — daarom; asmi — Ik ben; loke — in de wereld; vede — in de Vedische literatuur; ca — en; prathitaḥ — gehuldigd; puruṣa-uttamaḥ — als de Allerhoogste Persoonlijkheid.

Omdat Ik transcendentaal ben, ontstegen aan zowel de veranderlijken als de onveranderlijken, en omdat Ik de grootste ben, word Ik in de wereld, evenals in de Veda’s, geprezen als die Allerhoogste Persoon.


Een samenvatting van de Bhagavad-gītā zoals ze is.

De Bhagavad-gītā opent met de blinde Koning Dhṛtarāṣṭra’s verzoek aan zijn secretaris Sañjaya om hem te vertellen over het gevecht tussen zijn zonen, de Kaurava’s, en hun neven, de Pāṇḍava’s. Heer Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, uit genegenheid voor Zijn toegewijde, de Pāṇḍava prins Arjuna, is akkoord gegaan met het besturen van zijn strijdwagen. Als Arjuna zijn boog oppakt en zich voorbereidt op het vechten, ziet hij de zonen van Dhṛtarāṣṭra strategisch opgesteld in militaire formatie en vraagt onfeilbare Kṛṣṇa om zijn strijdwagen te midden van beide strijdkrachten te brengen. Daar, temidden van beide legers, begint Arjuna’s geest te duizelen als hij de nabije dood van zijn leraar, familieleden, en vrienden voorziet. Hij gooit zijn boog en pijlen neer en besluit niet te vechten.  

In hoofdstuk een, en in het begin van hoofdstuk twee, geeft Arjuna zijn argumenten om niet te vechten. Hoofdzakelijk vreest hij de zondige reacties van doden. Maar nadat Arjuna zich overgeeft aan Kṛṣṇa en de Heer verzoekt om hem te instrueren, begint Kṛṣṇa tegenargumenten te geven op Arjuna’s bezwaren. Als eerste legt Kṛṣṇa analytisch uit dat er eigenlijk geen doden mogelijk is, omdat de eeuwige ziel nooit sterft. Daarna legt Kṛṣṇa uit dat vechten in Zijn dienst transcendentaal is, en dat er geen zondige reacties komen. Kṛṣṇa legt tevens uit dat het doel achter de Veda’s is dat de ziel geleidelijk aan verheven wordt tot Kṛṣṇa bewustzijn. Dus raadt Kṛṣṇa Arjuna aan om gefixeerd te blijven in Zijn dienst – te vechten –  en de verlangens van de geest te negeren.  

Kṛṣṇa’s uitleg aan Arjuna om te vechten wordt in samenvattende stijl door Kṛṣṇa gegeven, en Kṛṣṇa verheerlijkt zowel buddhi-yoga (intelligentie benut voor vordering in spirituele kennis 2.45, 2.49, 2.50) als karma (werk 2.47, 2.48, 2.50). Arjuna raakt verward en wenst  Kṛṣṇa’s instructies van buddhi-yoga te gebruiken als excuus om het slagveld te verlaten en een leven verzonken in meditatie te gaan lijden. Daarom opent Arjuna hoofdstuk drie met de vraag waarom Hij vechten aanmoedigt als intelligentie hoger is dan baatzuchtige activiteit.

Kṛṣṇa legt dan karma-yoga, reactie vrije toegewijde dienst, uit, en lost daarmee Arjuna’s misconceptie op dat alle werk baatzuchtig is en tot gebondenheid leidt. Kṛṣṇa legt uit dat Arjuna zou moeten vechten, omdat het vermijden van zondige reacties door toegewijde dienst beter is dan proberen om reacties te ontlopen door werk op te geven. Kṛṣṇa wil tevens dat Arjuna vecht om het goede voorbeeld te geven van plichtsgetrouw werk. Daarom wil Hij dat Arjuna vecht, maar met kennis en onthechting (3.29, 3.30), zonder het slachtoffer te worden van eigen aantrekking en afkeer.   

Dan, in antwoord op Arjuna’s vraag over hoe de ziel tot onjuist handelingen wordt aangezet of verzaking van plicht, noemt Kṛṣṇa de vijand: lust. Hij raadt Arjuna aan om zijn zintuigen te reguleren, standvastig te worden in zijn zuivere identiteit als dienaar van Kṛṣṇa, en met behulp daarvan aan de grip van lust te ontkomen. Met spirituele kracht en vastberaden intelligentie zou hij die krachtige en zondige vijand – lust – moeten overwinnen.

Aangezien Kṛṣṇa in hoofdstuk drie heeft aangeraden dat Arjuna moet vechten in volledige kennis over Hem, Kṛṣṇa, legt Hij in hoofdstuk vier verschillende aspecten van transcendentale kennis uit. Als eerste legt Kṛṣṇa het ontvangen van kennis in geestelijke erfopvolging uit.  Vervolgens, nadat Kṛṣṇa op een succesvolle manier Zijn Eigen verschijning en missie heeft uitgelegd, gaat Hij verder met het uitleggen van toegewijde dienst aan Hem, als het doel van alle offerandes (Kṛṣṇa heeft al over het belang van het verrichten van yajña gehad in 3.9-16). Dan legt Kṛṣṇa de relatie uit tussen de ziel en Hem, de ziel is een eeuwig deeltje van Hem, welke gekend kan worden door een bonafide geestelijk leraar te benaderen. Hoofdstuk 4 eindigt met Kṛṣṇa’s verheerlijking van transcendentale kennis en het verzoek aan Arjuna om zich te bewapenen met deze kennis – welke alle zondige reacties tot as legt – en te vechten!

Nadat Arjuna onder de indruk is van zowel werk (wat activiteit vergt) als het uitzoeken van kennis (wat neigt naar inactiviteit), raakt Arjuna in de war. Zijn vastberadenheid is verstoord, en hij ziet vechten en kennis als zijnde tegenstrijdig. Daarom opent Arjuna hoofdstuk vijf met de vraag aan Kṛṣṇa om hem definitief uit te leggen of ontechten van werk (speculatie, sāṅkhya, jñāna, inactiviteit in kennis) dan wel toegewijde dienst hoger is. Kṛṣṇa antwoordt dat iemand die onthecht is van de resultaten van zijn werk, de enige is die werkelijk onthecht is. Zo’n persoon weet dat hoewel het lichaam handelt, de ziel, eigenlijk niets doet. Daarom zou Arjuna zijn plicht moeten vervullen en standvastig werken voor Kṛṣṇa’s plezier. Terwijl hij de buitenwereld onpartijdig (gelijkgezind) ziet, zou hij in het lichaam moeten wonen boven alle lichamelijke activiteiten verheven. Door zijn bewustzijn op de Allerhoogste te richten en Kṛṣṇa als de ware genieter te kennen, het doel van alle offerandes en boetedoening, en de Heer van alle planeten, zal hij, de zuivere ziel, ware vrede vinden voorbij deze materiele wereld.

In de eerste vijf hoofdstukken heeft Kṛṣṇa buddhi-yoga uitgelegd, werken met het bewustzijn op Kṛṣṇa gericht zonder baatzuchtige verlangens. Kṛṣṇa heeft ook sāṅkhya, karma-yoga, en jñāna-yoga uitgelegd als processen om tot bevrijding en Kṛṣṇa bewustzijn te komen. Aan het eind van het vijfde hoofdstuk (5.27-28) en doorgaand in het zesde hoofdstuk (waarin Kṛṣṇa praktische punten voor een yogi bespreekt), legt Kṛṣṇa dhyāna-yoga uit, concluderend dat dhyāna, of meditatie op Kṛṣṇa het doel van meditatie is.

De vijf onderwerpen van de Bhagavad Gita

Kṛṣṇa begint het zesde hoofdstuk met de uitleg dat de nieuwe yogi bezig gaat met baatzuchtige zithoudingen, terwijl de gevorderde yogi, de ware sannyāsī, werkt zonder gehechtheid. Zo’n yogi bevrijdt zichzelf en raakt niet gedegradeerd door de activiteiten van de geest. Door de geest, lichaam en het zelf nauwgezet onder controle in Kṛṣṇa’s dienst te houden, beoefent de yogi nauwgezet dhyāna-yoga op een afgelegen plaats. Door de geest op het zelf en op Kṛṣṇa te richten, bereikt hij transcendentaal geluk in God’s koninkrijk. Arjuna benadrukt dan dat de grootste moeilijkheid in yoga beoefening het onder controle houden van de geest is. Kṛṣṇa antwoordt daarop dat we de halsstarrige geest door constante beoefening en vastberadenheid kunnen overwinnen. In antwoord op Arjuna’s vraag over de bestemming van de niet succesvolle yogi, antwoordt Kṛṣṇa dat iemand die niet succesvol was in zijn beoefening, geboorte zal nemen in een familie van wijze transcendentalisten, en automatische aangetrokken zal raken aan yoga principes. In de laatste twee verzen van dit hoofdstuk zegt Kṛṣṇa dat de yogi groter is dan de asceet, de jñāni en de karmi. En de grootste van alle yogi’s is hij die altijd aan Kṛṣṇa denkt met vol vertrouwen en Hem met liefdevolle toegewijde dienst vereert.

Kṛṣṇa’s instructie aan het eind van hoofdstuk zes kennende, zouden we dit proces moeten oppakken, vanaf het punt van het concentreren van de geest op Kṛṣṇa. Hoofdstuk zeven opent daarom met Kṛṣṇa’s verklaring van Zichzelf en kennis over Zijn rijke volheden. Dus kan Arjuna Kṛṣṇa volledig vereren, zoals aan het eind van hoofdstuk zes, en met toewijding aan hem denken terwijl hij vecht.

Kṛṣṇa legt als eerst uit dat Hij de hoogste waarheid is en alles wat bestaat een combinatie is van Zijn materiele en spirituele energieeen. Hij is het actieve principe in alles en allesdoordringend door Zijn diverse materiele en spirituele energieeen. Omdat de geaardheden van de natuur, welke van Kṛṣṇa komen (en geen enkele invloed hebben op Hem), de activiteiten in de wereld besturen, kunnen alleen zij die zich overgeven aan Kṛṣṇa, deze geaardheden te boven komen en Hem kennen. Vier soorten zondige lieden geven zich nooit over aan Kṛṣṇa, terwijl vier soorten vrome lieden zich wel overgeven. Kṛṣṇa verhult Zich van impersonalisten, die minder intelligent zijn, en van hen die zich overgeven aan de halfgoden. Maar zij die werkelijk vroom zijn, die niet misleid zijn, dienen Kṛṣṇa vastberaden, en beoefenen toegewijde dienst op het Brahman platform, welke het doel van de impersonalisten is.

De zielen die Kṛṣṇa kennen als de heerser over de materiele schepping, de halfgoden, en offerandes, kunnen Kṛṣṇa kennen en begrijpen – zelfs bij het verlaten van hun lichaam.

Hoofdstuk acht begint met Arjuna’s vraag naar brahman, karma, de halfgoden, de materiele wereld, en Kṛṣṇa kennen op het moment van de dood. Kṛṣṇa beantwoordt Arjuna’s eerste vijf vragen in het kort en begint dan met een gedetailleerde uitleg hoe we Hem moeten kennen bij de dood. Aangezien we datgene bereiken wat we bij het verlaten van ons lichaam herinneren, zullen we als we Kṛṣṇa herinneren, naar Hem toe gaan. Vervolgens legt Kṛṣṇa uit hoe Hij constant herinnerd kan worden als de transcendentale persoon die alles weet, als de oudste, de kleinste, en de in stand houder. Dus door yoga te beoefenen en Hem te herinneren, legt Kṛṣṇa uit, gaan we terug naar de eeuwige spirituele wereld om nooit meer terug te keren naar deze tijdelijke, miserabele, materiele wereld. Na het beschrijven van verschillende yoga paden waarlangs we deze wereld kunnen verlaten, adviseert Kṛṣṇa Arjuna om geen zorgen te maken over andere paden – of het nou Vedische studie, yoga, boetedoening, yajña’s, barmhartigheid, jñāna, of karma is – want de resultaten van al deze zullen verkregen worden door toegewijde dienst. En aan het eind bereikt zo’n yogi in toegewijde dienst de Allerhoogste eeuwige woonplaats.

Na Arjuna’s vragen in hoofdstuk acht beantwoord te hebben, gaat Kṛṣṇa door met spreken in hoofdstuk negen over Zichzelf; uitleg van de kennis waar Hij in hoofdstuk zeven mee begonnen was. Kṛṣṇa leidt hoofdstuk negen in door te zeggen dat de kennis die Hij nu zal openbaren het meest vertrouwelijk is, omdat het Zijn eigenlijke positie beschrijft, welke alleen de niet jaloerse en hij die vertrouwen heeft, kan begrijpen. Kṛṣṇa gaat verder met uitleggen dat hoewel Hij onafhankelijk en verheven is aan de materiele wereld, Hij toch de gehele kosmos doordringt, schept en vernietigt door Zijn materiele energie. De mahātma’s die Kṛṣṇa kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods nemen hun toevlucht tot Hem en dienen Hem als de enige genieter en het hoogste object van verering.

Kṛṣṇa legt dan de fortuinlijke positie van zulke toegewijden uit: Als iemand Kṛṣṇa vereert, zorgt Kṛṣṇa voor hem, vult zijn tekortkomingen aan, en laat hem zijn krachten behouden. En alles waar Kṛṣṇa om vraagt is een offerande van een blad, een bloem, een vrucht, of een beetje water – als het met liefde wordt geofferd. Op deze manier komt Zijn toegewijde tot Hem. Zelfs als een toegewijde onbedoeld een verschrikkelijke daad begaat, is hij verheven, omdat Kṛṣṇa belooft dat Zijn toegewijde nimmer zal vergaan.

In hoofdstuk zeven en negen heeft Kṛṣṇa de kennis over Zijn energieeen uitgelegd. In hoofdstuk tien legt Kṛṣṇa Zijn energieën nog specifieker uit en onthult Zichzelf als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de oorsprong van alles. Kṛṣṇa legt ook uit hoe Zijn zuivere toegewijden weten dat Hij de ongeboren Allerhoogste Heer is, de bron van alle heiligen, de oorzaak van de materiele en spirituele werelden, en de bron van alle kwaliteiten en houdingen. Dit wetend, vereren de wijze toegewijden Kṛṣṇa, spreken over Hem, en met hun gedachten in Hem verzonken, niet afdwalend en vrij van zonde, dienen ze Hem. Uit compassie verdrijft Kṛṣṇa, verblijvend in hun harten, enige overblijvende onwetendheid. Nadat Arjuna over Kṛṣṇa’s heerlijkheden heeft gehoord, bevestigt Arjuna Kṛṣṇa als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods door  verschillende autoriteiten te citeren en hij legt uit dat alleen Kṛṣṇa Zichzelf waarlijk kan kennen. Vervolgens vertelt Kṛṣṇa hem over Zijn manifestaties in deze wereld – als de Superziel, de oceaan, de Himalaya’s – welke alleen maar een indicatie geven van Zijn onbeperkte volheden, omdat Kṛṣṇa door slechts een sprankje van Zijn  energie het hele universum doordringt en in stand houdt.

Hoewel Arjuna Kṛṣṇa’s twee-armige gedaante, welke hij nu voor zich ziet, aanvaardt als Allerhoogste, vraagt hij Kṛṣṇa toch om die allesdoordringende universele gedaante te laten zien, welke het universum in stand houdt. Dus, in hoofdstuk elf bewijst Kṛṣṇa Zich als de Allerhoogste Heer, en Hij stelt het criterium vast, dat iedereen die beweert God te zijn eveneens een universele gedaante moet laten zien. Kṛṣṇa laat Arjuna Zijn wonderbaarlijke, stralende, alles omvattende gedaante zien, en Arjuna ziet alle soldaten aan beide zijden sterven in die gedaante. Kṛṣṇa legt Zijn gedaante uit als tijd, de vernietiger van alle werelden, en vraagt Arjuna, die nu de onvermijdelijke dood van alle soldaten van tevoren kent, om Zijn instrument te worden. In antwoord op Arjuna’s angstige gebeden laat Kṛṣṇa eerst Zijn vier-armige gedaante zien voordat Hij terug keert naar Zijn originele twee-armige gedaante. Kṛṣṇa vertelt vervolgens dat deze twee-armige gedaante alleen gezien kan worden door zuivere toegewijden. En zulke zuivere toegewijden werken voor Kṛṣṇa, vrij van verlangen naar baatzuchtige activiteiten, maken ze Kṛṣṇa het hoogste doel van hun leven en komen zeker tot Hem.

In hoofdstuk twaalf, na het zien van Kṛṣṇa’s ontzagwekkende universele gedaante wenst Arjuna zijn positie op te helderen als een toegewijde, de hoogste vereerder van de Allerhoogste. Hij vraagt dan of het vereren van Kṛṣṇa in toegewijde dienst hoger is of het vereren van het onpersoonlijke hoger is. Kṛṣṇa antwoordt onmiddellijk dat iemand die Hem vereert in Zijn persoonlijke dienst, de hoogste is. Daarom moeten we ons bezig houden met Kṛṣṇa’s toegewijde dienst en onze geest alleen op Kṛṣṇa richten. Als dat niet mogelijk is, zouden we de regels en bepalingen van bhakti-yoga moeten volgen, die ons zuiveren zodat we later wel de geest alleen op Kṛṣṇa kunnen richten. Vervolgens legt Kṛṣṇa andere processen uit die uiteindelijk leiden tot zuivere toegewijde dienst aan Hem.   

De kwaliteiten welke een toegewijde dierbaar maken aan Kṛṣṇa, zoals gelijkgezindheid in geluk en verdriet, niet gebonden zijn aan de normale gang van zaken, tevredenheid, en het getrouw volgen van het pad van toegewijde dienst, worden eveneens genoemd als een onderdeel van het vereren van Kṛṣṇa in toegewijde dienst.

Arjuna opent hoofdstuk dertien door te vragen naar het veld van activiteit en de kenner van dat veld. Kṛṣṇa antwoordt dat het lichaam van de geconditioneerde ziel en de interacties van het lichaam met de materiele wereld, zijn beperkte veld van activiteit vormen. Door het verschil tussen het lichaam, de ziel en de Superziel te begrijpen, en door het proces van kennis te volgen, kan de ziel dualiteiten transcenderen, zijn eeuwige ondergeschiktheid aan Kṛṣṇa realiseren, en de hoogste bestemming bereiken.

Het dertiende hoofdstuk legt duidelijk uit dat door nederig kennis te ontwikkelen we vrij kunnen raken van materiele gebondenheid. Het legt ook uit dat de verstrikking van het levend wezen in de materiele wereld door zijn omgang met de drie geaardheden van de materiele natuur komt (13.20-22). In hoofdstuk veertien legt de Allerhoogste Persoon in details de drie geaardheden – goedheid, hartstocht en onwetendheid – uit als de krachten die alle geconditioneerde zielen binden en onder controle houden in deze materiele wereld. Toch kan een ziel deze geaardheden te boven komen door toegewijde dienst (alle andere processen zijn besmet met de geaardheden).  Dus de beperkingen opgelegd door het veld van activiteit kunnen omver geworpen worden en de ziel kan verheven worden tot het Brahman platform, de natuurlijke positie van zuiverheid en geluk – een platform waarvan Kṛṣṇa de basis is.

Omdat we onthecht moeten zijn van de geaardheden en hun resultaten om gehecht te raken aan toegewijde dienst aan Kṛṣṇa, beschrijft Kṛṣṇa in hoofdstuk vijftien het proces van het bevrijden van onszelf van de grip van de materie. Hij begint met het vergelijken van de materiele wereld met een gigantische, ondersteboven groeiende banyan boom en vertelt Arjuna dat hij zich ervan moet onthechten door overgave. Daarmee kan de ziel zijn eeuwige reincarnatie beëindigen en terugkeren naar Hem in de spirituele wereld.  

Hoewel de dwazen niet kunnen begrijpen dat de ziel van het ene naar het andere lichaam verhuist, volgend de verlangens van de geest, kunnen transcendentalisten dit duidelijk zien. De dwazen kunnen juist te zien door Kṛṣṇa te kennen als de stralengloed van de zon, maan, en vuur; als degene die de planeten in hun baan houdt en de smaak aan groenten geeft; als het verteringsvuur; als Paramātmā in ieders hart; als hij die geheugen geeft, kennis, en vergetelheid; als het doel van de Veda’s en de schrijver van de Vedānta. Kṛṣṇa onthult dat Hem kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en zich bezighouden met Zijn toegewijde dienst het uiteindelijke doel van de Vedānta is, en het meest vertrouwelijke gedeelte van de Veda’s is.

In hoofdstuk vijftien worden gunstige, verheffende activiteiten beschreven als onderdeel van de banyan boom. In hoofdstuk zestien, na zesentwintig goddelijke kwaliteiten genoemd te hebben, legt Kṛṣṇa de demonische natuur uit, welke de ziel degradeert door arrogantie, onwetendheid en verwaande pogingen naar zinsbevrediging en macht.

Kṛṣṇa legt de demonische mentaliteit als volg uit: De demonen denken dat de wereld onwerkelijk is en voortgebracht uit seksverlangen. Ze nemen hun toevlucht tot lust, en denken dat zinsbevrediging het doel van het leven is en maken plannen om op illegale wijze hun rijkdommen te vergroten. Terwijl ze plannen hoe ze hun vijanden zullen doden, denken ze dat ze machtig en gelukkig zijn, en omringd door hun familieleden, gebruiken ze yajña’s (offerandes) en dayā (barmhartigheid) alleen maar om hun zingenot te vergroten. Verward door allerlei illusionaire zorgen, in de war door ijdelheid, schaamteloosheid, en rijkdom, zijn ze jaloers op de Superziel in hun eigen lichaam en in de lichamen van anderen; demonen vervloeken ware religie. Deze kwaadaardige, laagste onder mensen, worden herhaaldelijk door Kṛṣṇa in demonische levenssoorten geworpen, om geleidelijk aan weg te zinken naar de meest afschuwelijke vormen van bestaan.

Kṛṣṇa beëindigt dit hoofdstuk door uit te leggen dat, omdat lust, woede, en hebzucht het begin vormen van demonisch leven, alle verstandige mensen ze op zouden moeten geven en hun plicht moeten begrijpen door getrouw de geschriften te volgen.

Kṛṣṇa sluit hoofdstuk zestien af met de verklaring dat het uiteindelijke verschil tussen goddelijke en demonische lieden is dat de goddelijke de geschriften volgen en de demonische niet. In het begin van hoofdstuk zeventien vraagt Arjuna meer over lieden die de geschriften niet volgen, maar volgens hun eigen verzonnen verbeelding vereren. Kṛṣṇa  antwoordt door te beschrijven, dat de manier waarop een combinatie van de geaardheden van de materiele natuur een persoon bindt, bepaalt wat zijn geloof zal zijn, zijn verering, voedsel, offerandes, giften, en boetedoeningen. Het hoofdstuk eindigt met Kṛṣṇa’s uitleg van de lettergrepen “om tat sat” en hoe deze lettergrepen aangeven dat een willekeurige offerande, boetedoening, of gift, onder leiding van de geaardheden en verricht, zonder toegewijde dienst, waardeloos is, zowel in dit leven als in het volgend leven. We moeten ons daarom direct wenden tot Kṛṣṇa’s dienst in Kṛṣṇa bewustzijn.

De hele Bhagavad-gītā eindigt in zeventien hoofdstukken, en in het achttiende hoofdstuk herhaalt Kṛṣṇa de kennis die Hij al eerder heeft gepresenteerd. In dit hoofdstuk concludeert Kṛṣṇa, zoals Hij heeft gedaan door heel de Bhagavad-gītā, dat we toegewijde dienst moeten beoefenen – Kṛṣṇa bewustzijn.

Aangezien Arjuna’s grondreden om van het vechten af te zien, was dat hij bang was voor zondige reacties, legt Kṛṣṇa ware onthechting uit en hoe zondige reacties getranscendeerd kunnen worden door: 1. onthecht raken van de vrucht van arbeid, 2. door de opdrachten van de Superziel te volgen, en 3. Kṛṣṇa vereren met behulp van de vruchten van arbeid: te werken als een brāhmaṇa, kṣatriya, vaiśya, of śūdra naar gelang de eigen geaardheid van de natuur. (Volgens elke bovengenoemde methode moet Arjuna vechten.) Aldus kunnen we de zelf gerealiseerde positie van brahma-bhūta bereiken en vanuit die positie, onthecht van alle materiele dingen, zuivere toegewijde dienst beoefenen.

Kṛṣṇa kan alleen gekend worden door onszelf aan Hem over te geven in toegewijde dienst, en door dit directe proces – vrij van karma en jñāna – hoeft Arjuna niet bang te zijn voor enige zondige reacties. Onder Kṛṣṇa’s bescherming zal zo’n toegewijde Kṛṣṇaloka bereiken. Kṛṣṇa instrueert Arjuna dat hij zich moet overgeven aan de Allerhoogste Heer in het hart en dus vrede bereiken in de hoogste, eeuwige woonplaats. Vervolgens legt Kṛṣṇa de meest vertrouwelijke kennis uit: “ Denk onafgebroken aan Mij en wordt een toegewijde van Mij, vereer Mij en groet Mij. Geef je over aan Mij alleen. Vrees niet voor zondige reacties”.

Na Kṛṣṇa’s instructies gehoord te hebben, is Arjuna gefixeerd in kennis en klaar om te strijden. Nadat Sañjaya deze conversatie aan Dhṛtarāṣṭra heeft verteld, denkt hij extatisch aan Kṛṣṇa’s wonderbaarlijke twee-armige gedaante en voorspelt de overwinning voor Arjuna, de beste, hoogste boogschutter, omdat hij aan Kṛṣṇa is overgegeven, die Meester van alle mystici is.

Luister naar de Bhagavad Gita in het Nederlands

https://bhagavad-gita.nl/audio/