Menu Close

Maheśa Paṇḍita

“Maheśa Paṇḍita, de zevende van de twaalf gopāla’s, was zeer liberaal. Uit grote liefde voor Kṛṣṇa danste hij als een gek op het ritme van de drum.”

Śrī Caitanya-caritāmṛta, Ādi-līlā: 11.32

Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura schrijft in zijn Anubhāṣya dat het dorp van Maheśa Paṇḍita bekend stond als Pālapāḍā, en in het district van Nadia ligt in een bos ongeveer anderhalve kilometer ten zuiden van het treinstation van Cākadaha. De Ganges stroomt daar vlakbij. Er wordt gezegd dat Maheśa Paṇḍita vroeger aan de oostkant van Jirāṭ woonde in het dorp dat bekend stond als Masipura of Yaśīpura. Toen Masipura opging in de rivierbedding van de Ganges werden zijn mūrtis naar Pālapāḍā gebracht, dat temidden van verschillende dorpen ligt als Beleḍāṅgā, Berigrāma, Sukhasāgara, Cānduḍe en Manasāpotā.  (Er zijn ongeveer veertien dorpen, en de hele buurt staat bekend als Pāñcanagara Paragaṇā.) Er wordt vermeld dat Maheśa Paṇḍita een bijzonder goede vriend was van Śrī Nityānanda Prabhu en deelnam aan het festival van dahi (yogurt) en chivda (geplatte rijst) dat werd georganiseerd door Śrī Nityānanda Prabhu in Pānihāṭi. Narottama dāsa Ṭhākura nam ook deel aan het festival en hier heeft hij Maheśa Paṇḍita ontmoet. In de tempel van Maheśa Paṇḍita bevinden zich de volgende mūrtis: Gaura-Nityānanda, Śrī Gopīnātha, Śrī Madana-mohana en Rādhā-Govinda, evenals een śālagrāma-śilā.

Maheśa Paṇḍita danste in de extase van kṛṣṇa-prema, net als een krankzinnige. In de Śrī Gaura-gaṇoddeśa-dīpikā 129 van Kavi Karṇapura staat geschreven dat hij in Vraja-līlā bekend stond als Mahābāhu, een van de dvādaśa-gopāla, of twaalf koeherdersjongens. Volgens Bhaktivinoda Ṭhākura zeggen sommige mensen dat hij de jongere broer was van Śrī Jagadīśa Paṇḍita uit het Yasodara-district van West-Bengalen. Bhaktivinoda Ṭhākura, aan de andere kant, zegt dat er enige twijfel blijft bestaan over zijn geboorteplaats, omdat er een gebrek is aan sluitend bewijs over dit onderwerp. 

De achtste golf van de Bhakti-ratnākara (8.220) van Narahari Cakravartī merkt op dat toen Narottama dāsa Ṭhākura Khaḍadaha bezocht, hij Maheśa Paṇḍita bezocht en darśana van zijn lotusvoeten nam.  Ook wijst de Bhakti-ratnākara erop dat Maheśa Paṇḍita een uiterst verheven ziel was, een groot mahānta. In Śrī Caitanya-bhāgavata 3.6 verwijst Vṛndāvana dāsa Ṭhākura ook naar hem als een grote mahānta en zegt dat Maheśa Paṇḍita Śrī Nityānanda Prabhu bijzonder dierbaar was.  Maheśa Paṇḍita stierf op de 13e dag van de donkere maan in de maand Pauṣa, die overeenkomt met december-januari.